huwelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hu·we·lijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huwelijk huwelijken
verkleinwoord huwelijkje huwelijkjes

Zelfstandig naamwoord

huwelijk o

  1. (juridisch) (familie) ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
    Die bruid en bruidegom traden in het huwelijk.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen huwelijk
verbogen huwelijke
partitief huwelijks - -

Bijvoeglijk naamwoord

huwelijk [2]

  1. met betrekking tot het huwelijk
    Voorkom problemen met je huwelijke voorwaarden
Opmerkingen
  • in de meeste gevallen wordt huwelijks als adjectief van huwelijk gebruikt

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal