Naar inhoud springen

adel

Uit WikiWoordenboek
  • adel
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘stand der edelen’ voor het eerst aangetroffen in 1447 [1][2]
enkelvoud meervoud
naamwoord adel -
verkleinwoord - -

deadelm

  1. (maatschappij) bevoorrechte en vaak ook rijke groep personen aan wie een meest erfelijke titel verleend was en aan wie voorheen een bepaald gebiedsdeel in eigendom gegeven was
    • In die tijd beschouwden velen de adel als een verzameling parasieten. 
    • De graaf van Almelo is van adel. 
     Toernooien werden soms door vorsten georganiseerd, maar meestal door leden van de hoge adel (de baronnen) die zich op deze manier verzekerden van status en invloed.[3]
     Niet alleen de adel maar ook de rijke burgers (Thomas More is hiervan iets later een schitterend voorbeeld) laten zich als individu portretteren.[4]
vervoeging van
adelen

adel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van adelen
    • Ik adel. 
  2. gebiedende wijs van adelen
    • Adel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van adelen
    • Adel je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  • a·del
enkelvoud meervoud
naamwoord adel

adel

  1. (adel) adel