huisvrouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·vrouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisvrouw huisvrouwen
verkleinwoord huisvrouwtje huisvrouwtjes

Zelfstandig naamwoord

huisvrouw v

  1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
    • Sinds een week bestaat-ie: de club van slechte huisvrouwen.[1] 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Opzij 2010
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be