huisvrouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·vrouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisvrouw huisvrouwen
verkleinwoord huisvrouwtje huisvrouwtjes

Zelfstandig naamwoord

huisvrouw v

  1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
    Sinds een week bestaat-ie: de club van slechte huisvrouwen.[1]
Antoniemen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Opzij 2010

Meer informatie