echtgenote

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Simon Carmiggelt en zijn echtgenote
Uitspraak
Woordafbreking
  • echt·ge·no·te
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vrouw met wie iemand getrouwd is’ voor het eerst aangetroffen in 1631 [1]
  • Afgeleid van echtgenoot met het achtervoegsel -e
enkelvoud meervoud
naamwoord echtgenote echtgenotes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

echtgenote v

  1. vrouwelijke vorm van echtgenoot
    • Maxima is de echtgenote van Willem-Alexander. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen