Naar inhoud springen

echtgenote

Uit WikiWoordenboek
Simon Carmiggelt en zijn echtgenote
  • echt·ge·no·te
  • afgeleid van echtgenoot met het achtervoegsel -e, in de betekenis van ‘vrouw met wie iemand getrouwd is’ voor het eerst aangetroffen in 1631 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord echtgenote echtgenotes
verkleinwoord - -

deechtgenotev

  1. (familie) vrouw waarmee je getrouwd bent
    • Maxima is de echtgenote van Willem-Alexander. 
     ' Ik voel hoe ik dreig terug te schieten in dat oude patroon van volgzame echtgenote en moeder.[2]
     Zijn moeder kreeg vlak na zijn geboorte multiple sclerose. Zijn vader, druk met de zorg voor zijn chronisch zieke echtgenote, keek nauwelijks om naar Harry. Als enig kind werd hij opgevoed door zijn oma.[3]
     Lana had ontzet gereageerd, boos dat Casper niet voor haar koos en bedroefd dat hij zijn echtgenote de kastanjes uit het vuur liet halen.[2]
  • echtgenoote (officiële spelling tot 1935 in Nederland en 1946 in België)
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. "echtgenote" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. Bronlink geraadpleegd op 11 mei 2025 Weblink bron “Window of my eyes: Harry Muskee en de verloren tijd” (zaterdag 16 januari 2016, 13:44), NOS
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be