buurvrouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buur·vrouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buurvrouw buurvrouwen
verkleinwoord buurvrouwtje buurvrouwtjes

Zelfstandig naamwoord

buurvrouw v

  1. vrouw woonachtig in het belendende huis
    • De buurvrouw kwam even koffiedrinken. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie