Naar inhoud springen

buurvrouw

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buur·vrouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buurvrouw buurvrouwen
verkleinwoord buurvrouwtje buurvrouwtjes

Zelfstandig naamwoord

de buurvrouwv

  1. vrouw woonachtig in het belendende huis
    • De buurvrouw kwam even koffiedrinken. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

buurvrouw

  1. buurvrouw; vrouw woonachtig in het belendende huis


Veluws

Zelfstandig naamwoord

buurvrouw

  1. buurvrouw; vrouw woonachtig in het belendende huis