sportvrouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

sportvrouw
Uitspraak
Woordafbreking
  • sport·vrouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sportvrouw sportvrouwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sportvrouw v [1]

  1. (beroep) (sport) een vrouwelijke sporter
    • Of ik de titel Sportvrouw van het Jaar mag claimen? Er zijn veel goede kandidaten. Als je bekijkt hoe Nafi Thiam na haar olympisch goud ook de titel op het EK indoor en het WK verovert, dan vind ik zeker dat zij het verdient om nog eens Sportvrouw van het Jaar te worden.”[2] 
    • Sophie de Boer is dit weekend bekroond tot Enschedese Sportvrouw van het Jaar. Dit gebeurde tijdens de Sportverkiezing Enschede in de Pathmoshal.[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 17/november/2017
  3. Tubantia 17-september-2017