vakvrouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

vakvrouw schikt bloemen
Uitspraak
Woordafbreking
  • vak·vrouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vakvrouw vakvrouwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vakvrouw v [1]

  1. een vrouw die een vak beheersten ook beoefent
    • Maar Patchett [schrijfster] is zo’n vakvrouw dat ze zelfs het dreigement van een geladen vuurwapen in een kinderhand kan inlossen op een manier die je niet verwacht en die toch bevredigend is. Op een manier die laat zien dat in het echte leven de dingen meestal niet duidelijk goed of slecht aflopen. Ze gebeuren gewoon, en dan moet je daarna maar zien wat je ervan vindt. [2] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Ellen de Bruin 29 januari 2017