minder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min·der
Woordherkomst en -opbouw

Onbepaald hoofdtelwoord

minder

  1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
Uitdrukkingen en gezegden
  • steeds minder
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

minder

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van weinig

Werkwoord

vervoeging van
minderen

minder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minderen
    • Ik minder. 
  2. gebiedende wijs van minderen
    • Minder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minderen
    • Minder je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl