minder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min·der
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kleiner’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1] [2]

Onbepaald hoofdtelwoord

minder

  1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
Uitdrukkingen en gezegden
  • steeds minder
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

minder

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van weinig

Werkwoord

vervoeging van
minderen

minder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minderen
    • Ik minder. 
  2. gebiedende wijs van minderen
    • Minder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minderen
    • Minder je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen