schunnig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schun·nig
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘obsceen’ voor het eerst aangetroffen in 1843 [1]
  • afgeleid van schun met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schunnig schunniger schunnigst
verbogen schunnige schunnigere schunnigste
partitief schunnigs schunnigers -

Bijvoeglijk naamwoord

schunnig [3]

  1. laag, vuil, schuin
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen