klein

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klein
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen klein kleiner kleinst
verbogen kleine kleinere kleinste

Bijvoeglijk naamwoord

klein

  1. van geringe grootte
    Een kleine aanpassing in de jaarcijfers kan soms grote gevolgen hebben.
  2. eenvoudig, normaal
    De kleine man.
  3. van geringe waarde, van weinig belang
    Klein wild.
    Kleine munten.
  4. bijna, net iets minder
    Een klein uur. - iets minder dan een uur.
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

klein

  1. met minimale uitdrukking
    Klein acteren.
  2. met klein geld
    We hebben liever dat u klein betaald, omdat we een tekort aan wisselgeld hebben.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Duits

Woordafbreking
  • klein
stellend vergrotend overtreffend
klein
kleiner
am kleinsten
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

klein

  1. klein

Bijwoord

klein

  1. klein


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /klɛɪn/ (Etsbergs)
Woordafbreking
  • klein
verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
klein
/ˈklɛɪn/
kleinder
/ˈklɛɪnðɐ(r)/
kleins
/ˈklɛɪns/
volledig

Bijvoeglijk naamwoord

klein

  1. klein

Bijwoord

klein

  1. klein