klein

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klein
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen klein kleiner kleinst
verbogen kleine kleinere kleinste
partitief kleins kleiners -

Bijvoeglijk naamwoord

klein

  1. van geringe grootte
    • Een kleine aanpassing in de jaarcijfers kan soms grote gevolgen hebben. 
  2. eenvoudig, normaal
    • De kleine man. 
  3. van geringe waarde, van weinig belang
    • Klein wild. 
    • Kleine munten. 
  4. bijna, net iets minder
    • Een klein uur. - iets minder dan een uur. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Bijwoord

klein

  1. met minimale uitdrukking
    • Klein acteren. 
  2. met klein geld
    • We hebben liever dat u klein betaald, omdat we een tekort aan wisselgeld hebben. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Duits

Woordafbreking
  • klein
stellend vergrotend overtreffend
klein
kleiner
am kleinsten
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

klein

  1. klein

Bijwoord

klein

  1. klein


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /klɛɪn/ (Etsbergs)
Woordafbreking
  • klein
verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
klein
/ˈklɛɪn/
kleinder
/ˈklɛɪnðɐ(r)/
kleins
/ˈklɛɪns/
volledig

Bijvoeglijk naamwoord

klein

  1. klein

Bijwoord

klein

  1. klein


Nedersaksisch

Bijvoeglijk naamwoord

klein

  1. klein