kleinood

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klei·nood
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kostbaar voorwerp’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • Samenstelling van klein en 'ood' [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kleinood kleinodiën
kleinoden
verkleinwoord kleinoodje kleinoodjes

Zelfstandig naamwoord

kleinood o [3]

  1. klein voorwerp van hoge waarde
    • Het kleinood werd zorgvuldig opgeborgen. 
  2. (faleristiek) het draagteken van een ridder- of andere orde in de vorm van een versiersel dat hangt aan een om het lichaam gedragen lint, keten of koord
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen