kleinood

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klei·nood
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kleinood kleinodiën
kleinoden
verkleinwoord kleinoodje kleinoodjes

Zelfstandig naamwoord

kleinood o [2]

  1. klein voorwerp van hoge waarde
    • Het kleinood werd zorgvuldig opgeborgen. 
  2. (faleristiek) het draagteken van een ridder- of andere orde in de vorm van een versiersel dat hangt aan een om het lichaam gedragen lint, keten of koord
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal