kleinzerig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klein·ze·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kleinzerig kleinzeriger kleinzerigst
verbogen kleinzerige kleinzerigere kleinzerigste
partitief kleinzerigs kleinzerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

kleinzerig

  1. het zich sterk aantrekken van kleine onaangenaamheden, gauw pijn voelend, bang voor pijn.
    • Zo kleinzerig als hij ooit op het voetbalveld was, zo ruimdenkend is hij in zijn relatie. Oud-voetballer, schrijver en geliefde tv-gast Jan Mulder (73) is geen Groninger burgermannetje. [2] 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. kleinzerig op website: Etymologiebank.nl
  2. de Volkskrant Nathalie Huigsloot25 januari 2019 INTERVIEW JAN MULDER