kleinzerig
Uiterlijk
- Geluid: kleinzerig (hulp, bestand)
- IPA: / klɛinˈzerəx / (3 lettergrepen)
- klein·ze·rig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | kleinzerig | kleinzeriger | kleinzerigst |
| verbogen | kleinzerige | kleinzerigere | kleinzerigste |
| partitief | kleinzerigs | kleinzerigers | - |
kleinzerig
- het zich sterk aantrekken van kleine onaangenaamheden, gauw pijn voelend, bang voor pijn.
- Zo kleinzerig als hij ooit op het voetbalveld was, zo ruimdenkend is hij in zijn relatie. Oud-voetballer, schrijver en geliefde tv-gast Jan Mulder (73) is geen Groninger burgermannetje. [2]
- Het woord kleinzerig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kleinzerig" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 94 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ kleinzerig op website: Etymologiebank.nl
- ↑ de Volkskrant Nathalie Huigsloot25 januari 2019 INTERVIEW JAN MULDER
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -ig in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 97 %
- Prevalentie Vlaanderen 94 %