kleinhartig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klein·har·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kleinhartig kleinhartiger kleinhartigst
verbogen kleinhartige kleinhartigere kleinhartigste
partitief kleinhartigs kleinhartigers -

Bijvoeglijk naamwoord

kleinhartig [1]

  1. van een persoon dat hij weinig moed en durf heeft
    • Ook de Duitse krant Der Spiegel benadrukt de bedreigingen. Frankfurter Allgemeine besteedt bijna een halve pagina aan de moord. Ze stelt dat Van Gogh door iedereen bewonderd werd voor zijn immense moed en zijn verachting voor politieke kleinhartigheid. De Neue Zürcher Zeitung uit Zwitserland denkt dat de moord een polarisering van het integratiedebat zal veroorzaken.[2] 
    • Voor Indonesiërs blijft het verleden relevant. Geen enkele post-koloniale natie kan alle aspecten van het verleden “vergeten en vergeven”, zo luidt de algemene opvatting in Indonesië. Vandaar de grote waardering in Jakarta toen koningin Beatrix sprak over “oprecht berouw”, toen zij aan het verleden refereerde. Maar door deze woorden vier dagen ná 17 augustus tijdens het staatsbanket uit te spreken, bleek het niet voldoende. Inderdaad, Indonesië heeft niet om excuses gevraagd. Daar vraag je namelijk niet om, dan ben je berjiwa kecil (kleinhartig), maar iemand die excuses kan aanbieden, die is berjiwa besar (ruimhartig).[3]  
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 3 november 2004
  3. NRC 8 september 1995