kleinburgerlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klein·bur·ger·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kleinburgerlijk kleinburgerlijker kleinburgerlijkst
verbogen kleinburgerlijke kleinburgerlijkere kleinburgerlijkste
partitief kleinburgerlijks kleinburgerlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

kleinburgerlijk [1]

  1. met betrekking tot het gedeelte van de bevolking van een stad die behoort tot de sociale laag tussen de arbeidersklasse en de "grote" burgerij
    • Maar die eigenschappen passen slecht in het goeiige, kleinburgerlijke milieu waarin Hedda zich plots bevindt als echtgenote van de koddige Jurgen Tesman (lieve, grappige rol van Guy Clemens). Haar gevatte sarcasme wordt hier niet eens opgemerkt. Dat maakt haar oneindig eenzaam. Soms lijkt ze even te verlangen naar capitulatie, als een trots, wild paard dat stilstaat om zich te laten zadelen. Om daarna weer woest de manen te schudden en te steigeren. Ze kan niet anders.[2] 
  2. bekrompen, geborneerd
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Herien Wensink 5 maart 2017
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be