kleineren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klei·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kleineren
kleineerde
gekleineerd
zwak -d volledig

Werkwoord

kleineren

  1. overgankelijk iets of iemand met minder dan het gepaste respect behandelen
    • Hij voelde zich daardoor erg gekleineerd. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen