piccolo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een piccolo [1]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pic·co·lo
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘hoteljongen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1914 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord piccolo piccolo's
verkleinwoord piccolootje piccolootjes

Zelfstandig naamwoord

piccolo m

  1. (muziekinstrument) een blaasinstrument, sopranino-dwarsfluit, wordt zoals de dwarsfluit bespeeld door dwars over het mondstuk te blazen
  2. (muziekinstrument) een klein soort mondharmonica met minder aanblaasgaten en tongen dan een normale mondharmonica
  3. (beroep) lift- en loopjongen in een hotel
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  piccolo     le piccolo     piccolos     les piccolos  

Zelfstandig naamwoord

piccolo m

  1. (muziekinstrument): piccolo
Hyperoniemen
Verwante begrippen


Italiaans

Woordafbreking
  • pic·co·lo
enkelvoud meervoud
mannelijk piccolo piccoli
vrouwelijk piccola piccole

Bijvoeglijk naamwoord

piccolo m

  1. klein
Antoniemen