kleine

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klei·ne

Bijvoeglijk naamwoord

kleine

  1. verbogen vorm van de stellende trap van klein
enkelvoud meervoud
naamwoord kleine kleinen
verkleinwoord kleintje kleintjes

Zelfstandig naamwoord

kleine

  1. een klein persoon
    • Die kleine kon er niet goed bij, maar hij kreeg hulp van zijn maatje. 
  2. een kind, kleuter
    • Moet die kleine nog niet naar bed? 
  3. een kleine: net iets minder dan het later genoemde
    • Hij woont een kleine kilometer van zijn school af. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie