kleine

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klei·ne

Bijvoeglijk naamwoord

kleine

  1. verbogen vorm van de stellende trap van klein
     Gespannen rende ik naar de enige beschutte plek op de bergtop, een kleine berghut.[1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kleine kleinen
verkleinwoord kleintje kleintjes

Zelfstandig naamwoord

kleine

  1. een klein persoon
    • Die kleine kon er niet goed bij, maar hij kreeg hulp van zijn maatje. 
  2. een kind, kleuter
    • Moet die kleine nog niet naar bed? 
  3. een kleine: net iets minder dan het later genoemde
    • Hij woont een kleine kilometer van zijn school af. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be