belang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·lang
enkelvoud meervoud
naamwoord belang belangen
verkleinwoord belangetje belangetjes

Zelfstandig naamwoord

belang o

  1. iets wat belangrijk is voor een persoon, iets wat iemand veel voordeel (of nadeel) kan opleveren
    Hij heeft belang bij een snelle opstart van het bedrijf.
    Hij heeft een groot belang in dat bedrijf.
  2. een drukte van belang: erg druk
    Tijdens de zomervakantie is het weer een drukte van belang op het vliegveld.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
  • belang hechten aan
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
belangen

belang

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van belangen
    Ik belang.
  2. gebiedende wijs van belangen
    Belang!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van belangen
    Belang je?