kas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Glazen Stad.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘contanten’ voor het eerst aangetroffen in 1543 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kas kassen
verkleinwoord kasje kasjes

Zelfstandig naamwoord

kas v/m

  1. de bak die het ontvangen geld bevat
    • In onze winkel is ieder personeelslid verantwoordelijk voor zijn eigen kas. 
  2. (figuurlijk) (financieel), (economie) de liquide middelen van een organisatie
    • We hebben op het moment niet zoveel geld in kas. 
  3. (tuinbouw) een doorzichtige en meest glazen constructie die het cultiveren mogelijk maakt van planten die een ander klimaat vergen dan buiten heerst
    • Het Westland heet vanwege zijn vele kassen ook wel de Glazen Stad. 
  4. omhulsel waarin iets is opgesloten (-> borstkas, oogkas, tandkas)
  5. in sommige gevallen afkorting van kast (-> windkas)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kassen

kas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kassen
    • Ik kas. 
  2. gebiedende wijs van kassen
    • Kas! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kassen
    • Kas je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Lets


naamval
enk en mv
m en v
nominatief kas
genitief
datief kam
accusatief ko
instrumentalis ar kam
locatief (kur)

Vragend voornaamwoord

kas

  1. wie, wat (nominatief)
    «Kas tas ir?»
    Wie is dat? / Wat is dat?
    «Kas tā par grāmatu?»
    Wat is dat voor een boek?

Betrekkelijk voornaamwoord

kas

  1. wie, (degene) die, (dat) wat, welke (nominatief)
Uitdrukkingen en gezegden
  1. «Necēri uz to, kas nav vēl rokā.»
    Hoop niet op dat wat je nog niet in handen hebt: Reken je niet rijk


Papiamento

Zelfstandig naamwoord

kas

  1. huis


Turks

Zelfstandig naamwoord

kas

  1. spier
Synoniemen