staatskas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • staats·kas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord staatskas staatskassen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

staatskas v/m [1]

  1. de financiële middelen van de rijksoverheid
    • Bijvoorbeeld: geen gordel om, boete en geen uitkering schade, drank op, boete en geen uitkering schade. Het mes snijdt aan twee kanten, zowel de veiligheid als de staatskas zijn erbij gebaat.[2] 
    • Maar de leer- en baanplicht wordt door meer dan een kwart van de deelnemers afgewezen. Deze tegenstanders willen bijvoorbeeld geen dwangmaatregelen om werkloze 50-plussers aan de slag te krijgen. „Er moet individueel gekeken worden. Vaak wordt men door UWV als nummer behandeld. Hoeveel dienstjaren heeft iemand al? Als iemand al 30 tot 40 jaar gewerkt heeft, is er al die jaren al bijgedragen aan de staatskas en arbeidsmarkt. Laat deze mensen.”[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen