ribbenkas
Uiterlijk
- rib·ben·kas
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ribbenkas | ribbenkassen |
| verkleinwoord | - | - |
- (anatomie) minder gangbare vorm van ribbenkast
- Onder de ontvleesde ribbenkas puilde de zware en gezwollen buik van het beest naar buiten en ging onrustig op en neer. [2]
- ribbenkast (meer gangbaar)
- Het woord 'ribbenkas' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Franquinet, R.Marat, de marskramer. (1952) Hofboekerij, Heemstede / Hasselt; p. 192; geraadpleegd 2018-02-17
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Invoegsel -en- in het Nederlands
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Anatomie in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal