kasplant

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·plant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kasplant kasplanten
verkleinwoord kasplantje kasplantjes

Zelfstandig naamwoord

  1. een plant geweekt in een broeikas
  2. dim. tant. kasplantje een onweerbaar of weinig weerbaar persoon.
    • Toen de man in coma raakte leefde hij nog twee weken als kasplantje. 


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie