kam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kam kammen
verkleinwoord kammetje kammetjes

Zelfstandig naamwoord

kam m

  1. getand object om haren mee te verzorgen
  2. lichaamsdeel van een vogel, reptiel of ander dier, bijv. hanenkam
  3. (muziekinstrument) onderdeel van een snaarinstrument waarover de snaren strak gespannen worden, met het doel de trillingen op het resonantielichaam over te brengen
  4. rij getande objecten, bijv. bergkam
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
kammen

kam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kammen
    Ik kam.
  2. gebiedende wijs van kammen
    Kam!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kammen
    Kam je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie


Duits

Werkwoord

kam

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd van kommen.


Lets


naamval
enkelvoud
en meervoud
nominatief kas
genitief
datief kam
accusatief ko
instrumentalis ar ko
locatief (kur)

Vragend voornaamwoord

kam

  1. aan/voor wie, wat, welke, waaraan, waarvoor (datief van kas)

Betrekkelijk voornaamwoord

kam

  1. aan/voor wie, wat, welke, waaraan, waarvoor (datief van kas)