meester

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mees·ter
enkelvoud meervoud
naamwoord meester meesters
verkleinwoord meestertje meestertjes

Zelfstandig naamwoord

meester m

  1. iemand die macht en gezag heeft
    • Hij is hier heer en meester over. 
  2. iemand die uitblinkt in een bepaalde vaardigheid, virtuoos
    • Met dit schilderij toonde hij zich een waar meester. 
  3. een onderwijzer met name op een lagere school
    • Moest je schoolblijven van de meester? 
    • Alle kinderen waren blij dat meester Valentijn met ze op werkweek ging 
  4. iemand die het doctoraal examen in de rechtsgeleerdheid heeft afgelegd
  5. iemand die door het maken van een proefstuk de bevoegdheid had gekregen om zelfstandig zijn ambacht uit te oefenen
  6. onderofficier bij de marine, één rang lager dan meester-chef en gelijk aan 1e sergeant bij de landmacht, de luchtmacht en de medische dienst
  7. meerdere in een sadomasochistische relatie
  8. (techniek) (digitale techniek) deel van een meester-slaaf element
Synoniemen
Verwante begrippen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
meesteren

meester

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meesteren
    • Ik meester. 
  2. gebiedende wijs van meesteren
    • Meester! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meesteren
    • Meester je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie