Naar inhoud springen

heren

Uit WikiWoordenboek
  • he·ren

deherenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord heer
     Natuurlijk hebben noch ik noch de heren in lange jurken enig idee wat waar is en wat niet, maar je moet tenslotte toch ergens in geloven. Ik zal er wellicht heel anders over denken over tien jaar tijd. Ik blijf zoeken.[1]
     Ze was de receptioniste en was er altijd; achter de balie las ze de Express, met haar ellebogen op het hout, kauwgom kauwend, tot de hoge heren kwamen en ze de kauwgom in de prullenbak gooide.[2]
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

heren

  1. verouderde spelling of vorm van hæren tot 2012
(verouderd) bepaalde vorm nominatief enkelvoud van her, m