Naar inhoud springen

mijnheer

Uit WikiWoordenboek
  • mijn·heer
enkelvoud meervoud
naamwoord mijnheer mijnheren
verkleinwoord mijnheertje mijnheertjes

demijnheerm

  1. een aanspreektitel voor een man
    • Mijnheer, wilt u dit nog even ondertekenen? 
     Toen mijnheer Oortman twee jaar geleden stierf, zeiden de mensen in Assendelft dat hij brouwerijen had voortgebracht.[3]
     'Deze heeft mijnheer betaald,' zegt ze met bewondering in haar stem.[3]
  2. de heer des huizes
     'Omdat mijnheer Brandt een herder uit de stad is.[3]
  3. een titel voor marineofficieren
    • Ik ben aanwezig, mijnheer. 
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]