gastheer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gast·heer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gastheer gastheren
verkleinwoord gastheertje gastheertjes

Zelfstandig naamwoord

gastheer m

  1. een man die een gast ontvangt en verzorgt met eten en drinken
    • Mijn vader is niet zo'n goede gastheer. 
  2. (biologie) een organisme dat een ander organisme draagt
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie