lord

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lord
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘titel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1685 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord lord lords
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

lord m [3]

  1. aanspreektitel voor een hoge Britse edelman, hoogwaardigheidsbekleder of hogere ambtenaar
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
lord lords

Zelfstandig naamwoord

lord

  1. heer, meester