master

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mas·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘meester’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • Afkomstig van het Engels.
enkelvoud meervoud
naamwoord master masters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

[A] master

  1. meester
  2. heerser
enkelvoud meervoud
naamwoord master masters
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[B] master m

  1. een graad die aangeeft dat iemand een masteropleiding heeft voltooid aan een universiteit of hogeschool
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
master masters

Zelfstandig naamwoord

master

  1. meester
  2. heerser
  3. een graad die aangeeft dat iemand een masteropleiding heeft voltooid aan een universiteit of hogeschool
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


vervoeging
onbepaalde wijs to master
he/she/it masters
verleden tijd mastered
voltooid
deelwoord
mastered
onvoltooid
deelwoord
mastering
gebiedende wijs master

Werkwoord

master

  1. beheersen