heerlijkheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heer·lijk·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord heerlijkheid heerlijkheden
verkleinwoord heerlijkheidje heerlijkheidjes

Zelfstandig naamwoord

heerlijkheid v

  1. adellijk grondbezit
    • De Gelderse hertog Reinald II verwierf de heerlijkheid Bredevoort in 1326. 
  2. adellijke legereenheid
    • Eenigen derzelve waren in het slot tydelyk gehuisvest anderen hadden hunne heerlykheden in de nabyliggende vlakte. [1] 
  3. gelukzaligheid in religieuze context
    • Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen. [2] 
  4. iets bijzonder aangenaams
    • Dat je eindelijk dat examen achter de rug hebt is echt een 'heerlijkheid! 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. (Hendrik Conscience, De Leeuw van Vlaenderen (1838), blz. 50.)
  2. (Statenvertaling, Mattheüs 6:13 (1637)).