beroepsarbeid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·roeps·ar·beid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beroepsarbeid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beroepsarbeid m [1]

  1. werk waarvoor loon of salaris wordt ontvangen; betaald werk
    • Na de oorlog kwamen vier kisten met 200 boeken terug en in 2003 nog een ander deel uit Moskou. Onder de stukken zit onder meer 'Beroepsarbeid der gehuwde vrouw' uit circa 1921 van de Groningse juriste Betsy Bakker-Nort, die later lid van de Tweede Kamer werd. [2] 
    • De regering zal voorts een nieuwe WAO-regeling voorstellen waarbij arbeidsgeschiktheid en reïntegratie van werknemers centraal staan. Bij de werkloosheidsregelingen behoren de prikkels tot deelname aan beroepsarbeid voorop te staan. Voorzieningen gericht op scholing worden niet aangetast. Ontslagvergoedingen en bovenwettelijke uitkeringen zullen worden verrekend met de werkloosheidsuitkering. [3] 
    • Gezien de grote achterstelling van de vrouw bij het verrichten van beroepsarbeid, kunnen we constateren, dat de vrouw in onze maatschappij niet volledig participeert. [4] 

Gangbaarheid


Verwijzingen