arbeidsloon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·beids·loon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord arbeidsloon arbeidslonen
verkleinwoord arbeidsloontje arbeidsloontjes

Zelfstandig naamwoord

arbeidsloon o

  1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
    • Mijn arbeidsloon wordt meestal rond de 20e gestort. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen