seizoenarbeid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sei·zoen·ar·beid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord seizoenarbeid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

seizoenarbeid m

  1. betaald werk met de eigenschap dat het alleen maar in bepaalde periode van het jaar kan worden gedaan
    • De gedachtenflarden die het verst in de tijd teruggaan zijn de herinneringen aan de seizoenarbeid met de suikerrietkap op Cuba, de oogstfeesten, het dansen en de flirt met de Cubaanse schonen. [2]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen