arbeidsrecht
Uiterlijk
- Geluid: arbeidsrecht (hulp, bestand)
- IPA: / 'ɑrbɛɪtsrɛxt / (4 lettergrepen)
- ar·beids·recht
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | arbeidsrecht | arbeidsrechten |
| verkleinwoord |
het arbeidsrecht o
- (juridisch) (economie) privaatrechtelijk vakgebied dat de contractuele aspecten van arbeidsverhoudingen en de rechtsposities van werknemers en werkgevers regelt
- Maar hoe heten werkgevers die de bestaande sociale verhoudingen en het arbeidsrecht verwerpen? Rechtse rakkers? Rebellen? Dat klinkt zo ongepast als aanduiding voor mensen die de mainstream economie vertegenwoordigen. Toch lieten vier werkgeversvoorzitters uit de bouw en de industrie afgelopen week in De Telegraaf een sterk staaltje agitatie en propaganda zien. Zij draaiden de rollen om. Nu zijn zíj het die de vakbonden voor de laatste maal waarschuwen. Nu stellen zíj een ultimatum. De bonden moeten vóór Pasen akkoord gaan met ingrijpende wijzigingen in het ontslag- en arbeidsrecht, anders stappen de werkgevers naar de kabinetsinformateur. Dan regelen zij het wel in het regeerakkoord van de verwachte centrum-rechtse coalitie.[2]
|
|
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
- Het woord arbeidsrecht staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ NRC Menno Tamminga 4 april 2017
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 12
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Invoegsel -s- in het Nederlands
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Juridisch in het Nederlands
- Economie in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal