spelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spelen
speelde
gespeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

spelen

  1. recreatief of ontspannend bezig zijn
  2. muziek maken op een muziekinstrument
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
het hoogste woord hebben en de baas spelen
  • Hoog spel spelen
veel/grote risico's nemen
  • Iemand in de kaart spelen
iemand onbewust helpen
  • Met vuur spelen
met gevaarlijke dingen laks omgaan, gevaarlijke dingen doen
  • Mooi weer spelen
mooier voordoen dan het is
  • Onder één hoedje spelen
samen iets oneerlijks doen
  • Op de poot spelen
bij de kleinste tegenslag flink te keer gaan/razen
  • Open kaart spelen
Eerlijk en openhartig zijn
  • Poot-aan spelen
Hard doorwerken (om op tijd te zijn)
Vertalingen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

spelen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spel
Synoniemen