spelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spe·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zich vermaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spelen
speelde
gespeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

spelen

  1. recreatief of ontspannend bezig zijn
  2. muziek maken op een muziekinstrument
     Tatertot was helemaal op dreef en had inmiddels geregeld dat Necktie met zijn gitaar kon meedoen met de lokale bluegrassband die in de brouwerij aan het spelen was.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Advocaat van de duivel spelen
  • Alles op het spel zetten
alles inzetten en mogelijk alles verliezen
  • Brood en spelen
  • Buiten spel blijven
(willen) proberen niet betrokken te zijn
  • De eerste viool spelen
het hoogste woord hebben en de baas spelen
  • De vermoorde onschuld spelen
  • Hoog spel spelen
veel/grote risico's nemen
  • Hoog spel spelen
veel/grote risico's nemen
  • Iemand in de kaart spelen
iemand onbewust helpen
  • Luistervinkje spelen
  • Met vuur spelen
met gevaarlijke dingen laks omgaan, gevaarlijke dingen doen
  • Mooi weer spelen
mooier voordoen dan het is
  • Onder één hoedje spelen
samen iets oneerlijks doen
  • Op de poot spelen
bij de kleinste tegenslag flink te keer gaan/razen
  • Open kaart spelen
Eerlijk en openhartig zijn
  • Parten spelen
  • Poot-aan spelen
Hard doorwerken (om op tijd te zijn)
  • Va-banque spelen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

spelen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spel
Hyponiemen
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen