spul

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spul
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bezitting’ voor het eerst aangetroffen in 1781 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord spul spullen
verkleinwoord spulletje spulletjes

Zelfstandig naamwoord

spul o [3]

  1. materiaal dat je niet precies kunt of wilt benoemen
    • Dit is goed spul! zei de marktkoopman tegen zijn klant. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Fries

Zelfstandig naamwoord

spul

  1. spel


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

spul

  1. spul