spil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spil
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spil spillen
verkleinwoord spilletje spilletjes

Zelfstandig naamwoord

spil

  1. o (scheepvaart) een kaapstander
    Als zware spil was de toen normale horizontale ankerspil op het voorschip gebruikelijk.
  2. v/m de as waar iets rond draait
  3. v/m overdrachtelijk: de persoon die een centrale plaats inneemt
    Deze sutra stelt dat de vrouw de spil, de belangrijkste regulerende kracht is in het gezin.
  4. (voetbal) middenvoor
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
spillen

spil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spillen
    Ik spil.
  2. gebiedende wijs van spillen
    Spil!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spillen
    Spil je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Deens

Woordafbreking
  • spil
Naar frequentie 83008

Werkwoord

spil

  1. gebiedende wijs van spile

Werkwoord

spil

  1. gebiedende wijs van spille