pool

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Pool

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • pool
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Latijnse "polus" (draaipunt)
enkelvoud meervoud
naamwoord pool polen
verkleinwoord pooltje pooltjes

Zelfstandig naamwoord

pool v/m

  1. (aardrijkskunde) uiteinde van een draaiingsas, met name van de aardas
    • Aan de polen van de aarde is het zes maanden licht en zes maanden donker. 
  2. (natuurkunde) een van beide einden van een (elektro-)magneet of antenne
    • Bij de pool komen de veldlijnen het dichtst bij elkaar. 
  3. (elektrotechniek) de aansluitpunten van een elektrisch toestel, snoer of netwerk
    • Een accu heeft twee polen. 
  4. (wiskunde) een uitzonderlijk punt waar een functie naar oneindig neigt
    • De functie 1/(x-1) heeft een pool voor x=1. 
  5. (wiskunde), (landmeetkunde) het refentiepunt in een polair coördinatenstelsel vanwaaruit de positie van een ander punt wordt bepaald door afstand (voerstraal) en richting (hoek t.o.v. een refentierichting)
    • Als pool kent men in een cartesisch coördinatenstelsel de oorsprong. 
  6. (textielindustrie) een van de vele opstaande draden van een tapijt of kleed
    • Een kleed met geknoopte polen. 
  7. (kleding) een lang model duffelse overjas
  8. o (spel) een biljartspel lijkende op snooker
  9. m een gezamenlijke pot met geld waarin personen of organisaties winsten, markten, risico's en meer inbrengen en verdelen
    • Voor bedrijven is een pool een vorm van economische samenwerking. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
pool pools

Zelfstandig naamwoord

pool

  1. zwembad
  2. poel, plas
  3. gemeenschappelijke voorraad, verzameling


Yucateeks

Zelfstandig naamwoord

pool

  1. (anatomie) hoofd