transistor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tran·sis·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord transistor transistoren
transistors
verkleinwoord transistortje transistortjes

Zelfstandig naamwoord

transistor m

  1. (elektrotechniek), (elektronica) één van de belangrijkste uitvindingen van de twintigste eeuw, halfgeleider die elektrische signalen versterkt. Voorloper van het geïntegreerde circuit en daarmee basiselement van de computer en van internet
  2. transistorradio
Synoniemen
Hyponiemen
Meroniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
transistor transistors

Zelfstandig naamwoord

transistor

  1. (elektrotechniek), (elektronica) transistor


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  transistor     le transistor     transistors     les transistors  

Zelfstandig naamwoord

transistor m

  1. (elektrotechniek), (elektronica) transistor