connector

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·nec·tor
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Engelse 'connector' met het voorvoegsel con-
enkelvoud meervoud
naamwoord connector connectors
verkleinwoord connectortje connectortjes

Zelfstandig naamwoord

connector m

  1. (elektrotechniek) verbindingsstuk (stekker, contrastekker) die een elektrische verbinding tot stand brengt tussen vele adertjes (die ook weer los genomen kan worden)
  2. (werktuigbouwkunde) verbindingsstuk om onderdelen mechanisch te koppelen
    connector bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie