polo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Polo
Uitspraak
Woordafbreking
  • po·lo
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘balspel’ voor het eerst aangetroffen in 1912 [1]
  • [2]
1,2 enkelvoud meervoud
naamwoord polo -
verkleinwoord - -
3 enkelvoud meervoud
naamwoord polo polo's
verkleinwoord polootje polootjes

Zelfstandig naamwoord

polo o

  1. (sport) balsport, van Engelse oorsprong, gespeeld met houten hamers voor twee ploegen in principe te paard (paardenpolo)
  2. (sport) waterpolo
  3. (kleding) T-shirt met korte mouwen en een overhemdkraag, poloshirt, polotruitje
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·lo
enkelvoud meervoud
polo polos

Zelfstandig naamwoord

polo m

  1. (wiskunde), (natuurkunde), (aardrijkskunde) pool

Verwijzingen