tapijt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·pijt
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kleed’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord tapijt tapijten
verkleinwoord tapijtje tapijtjes

Zelfstandig naamwoord

tapijt o

  1. kleed, vloerkleed
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen