hoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’ voor het eerst aangetroffen in 1177 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord hoek hoeken
verkleinwoord hoekje hoekjes

Zelfstandig naamwoord

hoek m

  1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
  2. een plaats waar twee muren samenkomen in bijvoorbeeld een kamer of op straat
  3. (sport) (boksen:) stoot die van opzij wordt toegediend, hoekstoot
  4. plek (bijv. koffiehoek)
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • om de hoek
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hoeken

hoek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeken
    • Ik hoek. 
  2. gebiedende wijs van hoeken
    • Hoek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeken
    • Hoek je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoek
enkelvoud meervoud
naamwoord hoek hoeke

Zelfstandig naamwoord

hoek

  1. hoek
  2. (visserij) vishaak