uitkomen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitkomen
kwam uit
uitgekomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

uitkomen

  1. ergatief naar buiten komen
    • De doelman was zijn doel uitgekomen. 
  2. ergatief in druk verschijnen (bijvoorbeeld van tijdschriften)
    • Het tweede deel is net ook uitgekomen. 
  3. ergatief tevoorschijn komen, uitlopen (bijvoorbeeld van knoppen van planten)
    • De narcissen staan te bloeien, maar de tulpen moeten nog uitkomen. 
  4. ergatief (bij eieren) opengaan, opengebroken worden door het jong
    • Over het algemeen is het zo dat de eieren van regenboogvissen niet uitkomen in daglicht. 
  5. het bekend worden van (slechte) dingen
  6. iets als resultaat hebben; iets bereiken
     Ik liep een smalle kloof in en volgde het dunne spoor water totdat ik uitkwam bij een rivier van wel vier meter breed.[1]
  7. rondkomen
  8. ergatief gelegen komen
    • Komt het je nou wel uit. 
  9. deelnemen aan iets
    • Het tweede team kwam uit in de derde divisie. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be