schikken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schik·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schikken
schikte
geschikt
zwak -t volledig

Werkwoord

schikken

  1. (onpersoonlijk) goed uitkomen
    • Schikt het je dat we de afspraak naar morgen verschuiven? 
  2. overgankelijk aantrekkelijk arrangeren
    • De bloemen waren prachtig geschikt. 
  3. wederkerend zich ~ naar een bepaald bewind aanvaarden en zich ernaar aanpassen
    • Hij schikte zich maar naar haar nukken, omdat het anders weer flink bonje was. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl