schikken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schik·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schikken
schikte
geschikt
zwak -t volledig

Werkwoord

schikken

  1. (onpersoonlijk) goed uitkomen
    Schikt het je dat we de afspraak naar morgen verschuiven?
  2. (overgankelijk) aantrekkelijk arrangeren
    De bloemen waren prachtig geschikt.
  3. (wederkerend) zich ~ naar een bepaald bewind aanvaarden en zich ernaar aanpassen
    Hij schikte zich maar naar haar nukken, omdat het anders weer flink bonje was.
Vertalingen