passer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Passer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord passer passers
verkleinwoord passertje passertjes

Zelfstandig naamwoord

passer m

  1. (teken- en schrijfmateriaal) een hulpmiddel om cirkels en cirkelbogen te tekenen
  2. (scheepvaart) een hulpmiddel om de afgelegde afstand van een schip te berekenen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse "passare" (kruisen).
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passer
passais
passé
eerste groep volledig

Werkwoord

passer

  1. voorbijgaan
  2. voorbijkomen, komen langs
    «Je vais à Calais en partant de Montpellier, je passe par Clermont-Ferrand.»
    Ik ga naar Calais vanaf Montpellier en kom dan langs Clermont-Ferrant.
  3. vergeten en vergeven
    «Je passe sur ce que vous avez fait.»
    Wat je gedaan hebt is vergeten en vergeven.
  4. verteren, digereren
    «Ça passe difficilement.»
    Het verteert moeilijk.
  5. voorkomen.