fit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fit
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fit fitter fitst
verbogen fitte fittere fitste
partitief fits fitters -

Bijvoeglijk naamwoord

fit [1]

  1. in goede lichamelijke conditie [2]
    • Hij loopt dagelijks hard om fit te zijn voor de wedstrijd. 
    • Na haar genezing voelde ze zich weer fit. 
Synoniemen
  • in vorm
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord fit fitten
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord.

Zelfstandig naamwoord

fit m [3]

  1. (techniek) meethaak met een vaste en een verschuifbare tong, fithaak [4]
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
fitten

fit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van fitten
  2. gebiedende wijs van fitten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Nynorsk

Zelfstandig naamwoord

fit

  1. verouderde spelling of vorm van fet van vóór 2012
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, vrouwelijk


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • fit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels

Bijvoeglijk naamwoord

fit

  1. (spreektaal) fit; een goede gezondheid en fysieke conditie hebbend
Verbuiging
  • Onverbogen

Verwijzingen