fit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fit
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fit fitter fitst
verbogen fitte fittere fitste

Bijvoeglijk naamwoord

fit

  1. in goede lichamelijke conditie [1]
    Hij loopt dagelijks hard om fit te zijn voor de wedstrijd.
    Na haar genezing voelde ze zich weer fit.
    fit bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Synoniemen
  • in vorm
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord fit fitten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

Niet in de woordenlijst van de Taalunie (als zelfstandig naamwoord)
fit m

  1. (techniek) meethaak met een vaste en een verschuifbare tong, fithaak [2]
    fit bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
  1. gezond etymologiebank.nl
  2. meethaak etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
fitten

fit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van fitten
  2. gebiedende wijs van fitten


Nynorsk

Zelfstandig naamwoord

fit
  1. verouderde spelling of vorm van fet van vóór 2012
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, vrouwelijk