gepast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·past
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
passen

gepast

  1. voltooid deelwoord van passen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gepast gepaster meest gepast
verbogen gepaste gepastere meest gepaste
partitief gepasts gepasters -

Bijvoeglijk naamwoord

gepast

  1. goed aansluitend bij de situatie of bedoelingen
    Met gepaste bewoordingen wist hij de ruziemakers tot rust te brengen.
  2. behoorlijk, fatsoenlijk
    Vloeken is geen gepast gedrag.
  3. (kleding|nld) die iemand heeft aangehad om te zien of het de goede maat heeft
    Wilt u de gepaste broeken weer in het rek hangen?
  4. (bij contante betaling) met precies het juiste bedrag, zodat geen wisselgeld nodig is
    Zij betaalde met gepast geld, zonder een fooi te geven.