gepast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·past
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
passen

gepast

  1. voltooid deelwoord van passen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gepast gepaster (gepastst) *
verbogen gepaste gepastere (gepastste) *
partitief gepasts gepasters -

Bijvoeglijk naamwoord

gepast

  1. goed aansluitend bij de situatie of bedoelingen
    • Met gepaste bewoordingen wist hij de ruziemakers tot rust te brengen. 
  2. behoorlijk, fatsoenlijk
    • Vloeken is geen gepast gedrag. 
  3. (kleding|nld) die iemand heeft aangehad om te zien of het de goede maat heeft
    • Wilt u de gepaste broeken weer in het rek hangen? 
  4. (bij contante betaling) met precies het juiste bedrag, zodat geen wisselgeld nodig is
    • Zij betaalde met gepast geld, zonder een fooi te geven. 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest gepast(e)" worden gebruikt.[1][2]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Omschreven trappen van vergelijking (algemeen) op website: http://taaladvies.net; punt 3.; geraadpleegd 2017-05-21
  2. Haeseryn, W. e.a. "6·4·3·1·ii Omschrijving van de trappen van vergelijking met meer en meest" in: Algemene Nederlandse Spraakkunst (1997) op website E-ANS: ans.ruhosting.nl; punt 4.; geraadpleegd 2017-05-21