paskwil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·kwil
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘spotschrift’ voor het eerst aangetroffen in 1566 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord paskwil paskwillen
verkleinwoord paskwilletje paskwilletjes

Zelfstandig naamwoord

paskwil o [2] [3]

  1. een schotschrift of smaadschrift waarin men iets of iemand belachelijk maakt
    • Het Nederlandse woord paskwil, spotschrift, laat zien dat de niet-aflatende en onverbloemde kritiek van Pasquino tot ver over de grenzen van het pauselijke rijk te horen moet zijn geweest. Een van zijn bekendste uitspraken, terug te vinden in veel gidsen over Rome, is zijn bijtende uithaal naar paus Urbanus VIII, uit de familie Barberini. Deze liet in de zeventiende eeuw de antieke bronzen dakbalken uit het voorhof van het Pantheon weghalen, om het metaal te kunnen gebruiken voor het baldakijn dat Bernini had ontworpen boven het hoofdaltaar in de Sint Pieter. Met een verwijzing naar eerdere plunderingen van Rome schreef Pasquino toen, deze keer in het latijn: wat de barbaren niet hebben gedaan, hebben de Barbarini gedaan. [4] 
  2. iets belachelijks
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
8 % van de Vlamingen.

Verwijzingen