geit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een geit.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geit geiten
verkleinwoord geitje geitjes

Zelfstandig naamwoord

geit v

  1. (zoogdieren) Capra aegagrus hircus op Wikispecies een evenhoevig zoogdier
    • Zij hebben een geit geadopteerd. 
  2. (scheldwoord) een scheldwoord voor een vrouw
    • Wat is dat een stomme geit, zeg! 
  3. een benaming voor een grappig eigenaardig persoon
    • Hij is toch zo'n geit, je blijft lachen met hem. 
Verwante begrippen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geien

geit

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geien
    • Jij geit. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geien
    • Hij geit. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van geien
    • Geit! 
vervoeging van
geiten

geit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van geiten
  2. gebiedende wijs van geiten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak
  • [werkwoord]: IPA: /ɣɛɪt/ ~ /ɣɛɪð/ (Etsbergs)
  • [zelfstandig naamwoord]: IPA:
    • (Etsbergs): /ɣɛɪt/
    • (Maastrichts): /ɣɛːt/
Woordafbreking
  • geit

Werkwoord

geit

  1. derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd van gaon.

Zelfstandig naamwoord

geit m/v

  1. v: geit (vrouwelijke geit).
  2. m: bok.
  3. m/v: geit (ras).
Verbuiging
Synoniemen
Afgeleide begrippen